Buurvrouw 341

Ik was afgepoeierd, en lichtelijk geïrriteerd stapte ik mijn appartement weer binnen. ‘Bekijk het maar’, dacht ik in eerste instantie, maar een paar dagen later stopte ik toch een kaartje, met een uitnodiging, in haar brievenbus. Zo hield ik de eer aan mijzelf. Tot mijn verbazing en ergernis lag er een dag later een klein briefje in mijn bus, met daarop de korte tekst: ‘Bedankt, geen zin’. Buurvrouw 341.
Ons contact bleef sindsdien beperkt tot kaartjes. Ik liet haar steeds weten wanneer ik op vakantie was, of een paar dagen elders vertoefde, en wenste haar ook een Voorspoedig Nieuwjaar. Steevast kreeg ik een briefje terug met de standaardtekst: ‘Bedankt’ . Buurvrouw 341. Zij liet mij nooit iets weten. Ik nodigde haar niet meer uit. Wanneer ik haar in de gang, of in de lift, of buiten op de parkeerplaats tegen kwam, bleef het contact beperkt tot een hoofdknik, of, als ze vermoedde dat ik haar wilde aanspreken, kapte ze me af met de woorden: ‘Ik heb geen tijd om te praten.’ Het viel me op hoe moeizaam ze zich voortbewoog. Ze zag er zo broos en kwetsbaar uit. Ze ontweek duidelijk elk persoonlijk contact met mij, en daar had ik meer last van dan ik wilde.
Twee weken geleden verraste ze me. Op een avond, het was rond zeven uur, werd er aangebeld. ‘Een collecte’, dacht ik. Ik opende de deur en daar stond ze, buurvrouw 341. Voor ik van mijn verbazing was bekomen
sprak ze me kordaat aan: ‘Nee buurman, ik kom niet binnen. Morgen moet ik naar het ziekenhuis voor een zware operatie, en dat wilde ik U persoonlijk meedelen, dus geen kaartje’. Ik wilde reageren op dit nare nieuws, maar ze stak afwerend haar hand op, en sprak snel verder: ‘ De kans is groot dat ik het niet overleef.’ Nu viel het me pas op hoe slecht ze er uit zag: vaalbleek gezicht, zwarte randen onder de ogen, scherpe plooien in haar gezicht. Het kostte haar, ondanks een stok, moeite recht op te blijven staan. Ik wilde haar dringend vragen binnen te komen, zodat ze kon gaan zitten. Ze voelde echter haarscherp aan wat ik van plan was, en vervolgde op besliste toon: ’Nee buurman, ik kom niet binnen. Ik wil U een gunst vragen. Wilt u regelen dat mijn appartement wordt leeggehaald? Dit is het adres van mijn notaris, hij weet wat er met de spullen moet gebeuren. Hij weet ook wie U bent.’
Ze overhandigde mij met een kordaat gebaar een kaartje, ik pakte het aan en daarbij viel mijn oog op een litteken op haar pols. Ik wist, overbluft door het verzoek, even niet hoe ik reageren moest. ‘Toch een kaartje’, schoot het door me heen. Ik keek haar vertwijfeld aan, allerlei vragen dwarrelden door mijn hoofd. Waarom ik? Kan haar familie dat niet regelen? Hier heb ik geen zin in!
Ik keek haar weifelend aan, ze keek kalm terug met een afwachtende blik in haar ogen. Ze wachtte op mijn reactie. ‘Ze vertrouwt me,’ was mijn volgende gedachte, en ondanks dat in mijn hoofd een stemmetje fluisterde: ‘Niet doen. Je kent dat mens niet eens. Ze heeft je altijd genegeerd’, knikte ik in een impuls ja: ‘Ik zal er voor zorgen’. ‘Bedankt’, was haar korte reactie, haar stem klonk warm en zacht, en ze glimlachte naar me. Het was een glimlach, die eerder past bij twee mensen, die elkaars doen en laten door en door kennen, en ik kreeg het gevoel, dat daar tussen ons inderdaad even sprake van was.
Vandaag is het zover. Ik heb vanmorgen bij de notaris de sleutels opgehaald en binnen een kwartier zullen de medewerkers van het bedrijf, dat het appartement leeg komt halen, voor de deur staan. Ik open de deur van appartement 341 en loop meteen door naar de huiskamer, en blijf daar verbijsterd stil staan. Alle wanden hangen vol met levensgrote portretten, collages, samengesteld uit knipsels uit tijdschriften. Bij elk portret hangt een naamkaartje. Ik begin de kaartjes te lezen, en ontdek dat mijn buurvrouw op de wanden een complete familie- en vriendenkring heeft geschapen. Een vader, een moeder, twee zusjes en een broer. Een echtgenoot, een zelfportret, vijf kinderen: drie meisjes en twee jongens. Neven, nichten, vrienden en vriendinnen en daar hang ik, Buurman 339. Alle portretten tonen lachende mensen, op één na, die van de echtgenoot. Haar zelfportret toont het gezicht van een meisje, dat nog vol verwachting naar de wereld kijkt.
Ik laat me, onthutst, in de ene leunstoel zakken die er staat, en herinner mij wat de notaris over haar had verteld. Ze had kind nog kraai, laat staan vrienden. In Wereldoorlog II was ze verliefd geworden op een Duitse soldaat, en met hem naar Duitsland vertrokken. Ze hadden geen kinderen gekregen. Haar echtgenoot had na twintig jaar huwelijk zelfmoord gepleegd. Zij was teruggekeerd naar Nederland, en had daar een zeer teruggetrokken leven geleid. Dat laatste kon ik beamen.
Wat zeggen deze portretten over buurvrouw 341? Was dit haar wereld, deze portrettengalerij? Sprak ze met hen? Een antwoord zou ik niet krijgen, ik kan slechts raden naar haar persoonlijke tragiek. Het was duidelijk dat ze de buitenwereld niet toe had gelaten in haar wereld. Waarom? Naarstig zoek het appartement door, in de hoop iets van persoonlijke aard te vinden, maar nee: geen brief, geen dagboek, geen plakboeken, geen fotoboeken. In de telefoonklapper staat alleen de naam van haar huisarts vermeld.
Op dat moment gaat de bel, de medewerkers van het klussenbedrijf staan voor de deur. Ik ga koffie zetten. Daarna begin ik de portretten van de muur te halen, om iets te doen te hebben, en mijn verwarring te verbergen. Ik vouw haar wereld behoedzaam op. Haar zelfportret, en dat van mij, neem ik mee. Ik ga ze in mijn werkkamer ophangen, met een kaartje er bij: Made bij Buurvrouw 341.

 

Haarlem, december 2007

Nico van den Raad